Waarom is vaccineren belangrijka

Vaccinatie geeft een goede en veilige bescherming tegen infectieziekten.
 
Vaccinatie beschermt kinderen en volwassenen tegen infectieziekten die de gezondheid ernstig en blijvend kunnen schaden en soms zelfs dodelijk zijn.
Vóór de Tweede Wereldoorlog eisten besmettelijke ziekten als difterie, kinkhoest, tetanus (‘kaakklem’), polio (‘kinderverlamming’) en mazelen in ons land talrijke slachtoffers. Tussen 1900 en 1950 kregen gemiddeld 3.000 mensen per jaar difterie. Na invoering van de vaccinatie tegen difterie in de jaren vijftig daalde dat aantal snel tot vrijwel nul. Polio kwam na de introductie van het vaccin nog in kleine epidemieën voor onder niet-gevaccineerde kinderen en jongeren. Hetzelfde geldt voor mazelen en rodehond.
 
In landen waar niet of onvoldoende wordt gevaccineerd, blijven infectieziekten veel slachtoffers eisen. Zo sterven wereldwijd elk jaar tussen de 300.000 en 400.000 kinderen aan mazelen.

Lang vóór de invoering van vaccinaties waren ziekten al bijna verdwenen als gevolg van betere voeding en meer hygiëne. Wetenschappelijk wordt de effectiviteit en veiligheid van vaccinaties betwist.
Vaccineren is een overweging in geval mensen extreem angstig blijven voor de betreffende ziekte. Stress heeft een negatief effect op de weerstand.
De informatievoorziening in de media is gericht op het voeden van de angst. Aanvullende medische mogelijkheden worden nauwelijks in de discussie betrokken om een reëel beeld te schetsen van risico’s en mogelijkheden.
De huidige situatie in de westerse wereld mag niet vergeleken worden met die van 100 jaar geleden of met die in de derde wereldlanden.
Vele onderzoeken bevestigen de stelling dat ongevaccineerde kinderen gezonder zijn dan gevaccineerde kinderen.
 
In de derde wereldlanden is vaak geen schoon drinkwater, geen goede riolering, slechte voeding of zelfs hongersnood, waardoor de kinderen een infectieziekte niet aankunnen.