Geven RVP-vaccinaties voldoende bescherminga

Met uitzondering van kinkhoest zijn de meeste mensen na het doorlopen van het RVP minstens tot hun twintigste jaar voldoende beschermd.
 

Met levende RVP-vaccins, zoals het BMR-vaccin, wordt de gewenste bescherming bijna altijd al na 1 of 2 doses bereikt. Ook geven levende vaccins over het algemeen een langdurige, vaak levenslange bescherming. Bij geïnactiveerde (‘dode’ vaccins) moet de bescherming worden opgebouwd met een serie vaccinaties en van tijd tot tijd worden opgepept door revaccinaties. Omdat bij zuigelingen het immuunsysteem nog niet volgroeid is, zijn over het algemeen op die leeftijd meer vaccinaties nodig om immuniteit te bereiken dan bij oudere kinderen. De bescherming neemt bij elke volgende dosis toe.
 

Er zijn ook ziekten die zelfs na volledige vaccinatie nog kunnen optreden, zoals kinkhoest. Wel verlopen die ziekten na vaccinatie minder ernstig.

Het afweersysteem van een zuigeling is nog niet in staat om antistoffen aan te maken, het is nog niet uitgerijpt. Dan kan er na vaccinaties op zeer jonge leeftijd dus nog geen bescherming ontstaan. Daarom moeten vaccinaties zo vaak worden herhaald. Wordt er later begonnen met vaccineren bijv. na 6 of 12 maanden, dan volstaan 3 of 2 vaccinaties voor dezelfde mate van bescherming. Maar de mate van antistofvorming verschilt van kind tot kind, dus ook het ‘beschermd zijn’.
Van kinkhoest is bekend dat het niet afdoende beschermt, want kinkhoest komt nog geregeld voor bij gevaccineerde kinderen met een vaak heftiger verloop dan bij niet-gevaccineerde kinderen. Opmerkelijk is dat kinkhoest sinds de invoering van de vaccinaties voornamelijk meer bij kinderen onder een jaar voorkomt, terwijl het vóór de invoering vooral een ziekte was bij kinderen ouder dan een jaar. Beneden een jaar, vooral van 0 tot 6 maanden, is het kind het meest kwetsbaar.
De bofvaccinatie blijkt geen levenslange bescherming te bieden (komt regelmatig bij studenten voor), en de pneumokokken-vaccinatie zorgde tot op dit moment ook nog niet voor minder pneumokok-gerelateerde ziekten, doordat inmiddels andere pneumo-stammen verantwoordelijk zijn voor infectieziekten. Daarom is het pneumokokkenvaccin vanaf 1 mei 2011 aangepast.
Gezonde kinderen en volwassenen kunnen na vaccinaties vatbaarder worden voor vele andere ziekten. Het immuunsysteem wordt aangetast en dit kan bijdragen aan het ontstaan van auto-immuunziekten.
 
Het is een illusie te denken dat gevaccineerde kinderen goed beschermd zijn tegen ziekten. We zien dat juist gevaccineerde kinderen veelvuldig kwakkelen met hun gezondheid; frequente verkoudheden, benauwdheden (afhankelijkheid van ‘pufjes’), slaap- en/of gedragsproblemen, voedselintoleranties e.d. Ofwel een verschuiving van korte infectieziekten naar chronische ziekte zoals o.a. auto-immuunziekten, epilepsie, diabetes, astma en MS.